donderdag 10 augustus 2017

Liefde is puur persoonlijke keuze

Staan we aan de vooravond van een omwenteling op het vlak van liefde en seksualiteit? Hebben mensen straks meerdere liefdesrelaties met verschillende mensen, niet ná maar náást elkaar? Of zit er alweer 'klad' in de polyamorie en blijft alles bij het 'oude' - of we dat nu mono-amorie (een leven lang bij dezelfde partner) of seriële mono-amorie (partners die elkaar opvolgen in de tijd) noemen?

Door polyamorie dreigt de liefde politiek te worden, aldus Stephan Sanders in zijn column in de Volkskrant (27/07). Maar hij politiseert zelf, door op een trend te wijzen en in het contra-kamp plaats te nemen. Verwacht geen vooruitgang op het gebied van de liefde, aldus Sanders, en laat u vooral niets voorschrijven door de vrijgevochten seksuele partij.

Het lijkt wel of de geschiedenis zich herhaalt. In de jaren zestig en zeventig ontstond er een revolutionaire beweging die opriep tot seksuele bevrijding van allen. Protest lag toen voor de hand, gezien de opgelegde structuur van man-vrouw-in-huwelijkse-binding. Je kunt je evenwel afvragen welke reden er tegenwoordig bestaat voor politieke strijd. Immers, de kerk schrijft mensen niet langer voor wat er wel en niet mag tussen de lakens. En de meeste vrouwen verdienen hun eigen brood, zonder afhankelijk te zijn van de man.

Dankzij deze ontwikkelingen hebben liefde en seksualiteit kunnen uitgroeien tot puur persoonlijke keuzes. Het lijkt mij een voorrecht dat huidige generaties deze individuele vrijheid hebben. Sanders denkt zelf weliswaar dat de polyamorie een hoop 'werk en geregel is' - maar doe dan niet alsof dat voor iedereen zou gelden.

donderdag 16 april 2015

Absurd: de boek-app zonder woorden

Stel je voor: Apple had vorige week geen slim horloge, maar een tijdmachine op de markt gebracht. Mediapedagoog Warren Buckleitner was meteen ingestapt, zijn iPad in de aktetas. Zijn missie: uitzoeken hoe invloedrijke voorgangers aankijken tegen een hot issue in de hedendaagse opvoedkunde. Is de tablet nu goed of slecht voor jonge kinderen?

Buckleitner heeft wel een idee over de wijsheden waarmee hij zou terugkeren. Jean Piaget geeft ouders het advies om hun baby of dreumes óók met blokken te laten spelen. Leren, dat gebeurt in de vroege jaren in de fysieke omgeving. Lev Vygotsky ziet grote potentie in apps. Mits goed ontworpen, kunnen ze kinderen naar een volgende 'zone van naaste ontwikkeling brengen.' En Maria Montessori? Die omarmt de gadget uit de toekomst. Zij vond dat je kinderen moet voorbereiden op de wereld van morgen, en was een groot voorstander van actief en spelend leren.

Buckleitner is een Montessori-adept. Hij benadrukte tijdens de masterclass Dust or Magic op de Bologna Children's Book Fair herhaaldelijk dat apps een stimulans zijn voor de ontwikkeling van jonge kinderen. Buckleitner is hoofdredacteur van de website Children's Technology Review en vast jurylid van de BolognaRagazzi Digital Award. Hij beoordeelt apps op hun opvoedkundige kwaliteit, waarbij hij zich laat leiden door een citaat van de 17e-eeuwse Japanse filosoof Matsio Basho: "An idea can turn from dust to magic, depending on the talent that rubs against it.”

Alleen: hoe zit het met de magie van digitale woorden? Voor de leesontwikkeling lijkt in Buckleitners opvoedboekje geen plaats. Het merendeel van de genomineerden voor de app-prijs van Bologna blinkt namelijk uit in de afwezigheid van gesproken en/of geschreven taal. Datzelfde viel in voorgaande jaargangen ook al op. Lezen en voorlezen spelen dan ook geen rol in de jurycriteria. De nadruk ligt op 'storytelling'. Maar dat, zegt jurylid Cristina Mussinelli desgevraagd, kan ook met animaties, bliepjes en aanklikbare hotspots.

Het is op zijn zachtst gezegd opmerkelijk, voor een prijs die wordt toegekend door één van de belangrijkste boekenbeurzen ter wereld. Maar volgens Kate Wilson van uitgever Nosy Crow weerspiegelt het hoe haar collega's het ontwerp van apps benaderen. "Ze starten niet vanuit de leeservaring. Daardoor dreigen ze lezen te reduceren tot een soort klassiek Grieks. Een taal die uitsluitend in boeken te vinden is. In boeken van papier, wel te verstaan."

De winnaar van dit jaar spreekt in dat opzicht boekdelen. My Very Hungry Caterpillar is een 'verapping' van het klassieke kinderboek van Eric Carle. In de game-app kunnen kinderen het rupsje zelf laten uitgroeien tot een vlinder. Maar de ironie wil dat de interactiviteit in het boek beter was uitgewerkt. Deze ondersteunde het geschreven verhaal, terwijl de app kinderen in het diepe gooit. Het rupsje kan appels en peren eten, de plantjes water geven, met een strandbal spelen en vingerverven met zijn hele lijfje. Maar hoe deze activiteiten met elkaar samenhangen blijft onbelicht. Kinderen leren dus ook niet wat ze te maken hebben met het proces van opgroeien.

Ook andere genomineerden herinneren in weinig aan het boek. Forms in Play laat zich nog het beste betitelen als een animatiefilm, David Wiesner's Spot en Toca Nature als virtuele omgevingen. Boekentaal ontbreekt zelfs in Saga Fairy Tales. Dat zijn nota bene sprookjes, die hun oorsprong vinden in de orale vertelcultuur. Ze komen allemaal voorbij: de kikkerkoning, de grote boze wolf, Hans en Grietje. Maar in plaats van te worden verteld, suist de speler erlangs met een toverstafje in een Efteling-achtige wereld, om telkens één scène na te spelen. Er is veel voorkennis nodig om hier iets van op te steken - en het is de vraag of kinderen daarover beschikken.

Ook in Nederland verschijnen boek-apps waarin (voor)lezen het onderspit delft. Zo werd Storm & Skye eerder dit jaar met veel aplomb gelanceerd als "interactief en geïllustreerd boek" dat "de vertelkunst weer op de kaart zet als onderdeel van de opvoeding van kinderen." Oké, er is sprake van een vertelling, maar die gebeurt uitsluitend oraal. Kinderen kunnen niet meelezen met de voice-over van Bram van der Vugt. Terwijl dat hen juist stimuleert in het zelf leren lezen.

Wat hadden Piaget, Vygotsky en Montessori hiervan gevonden? Precies, dat deze apps garen hadden gesponnen bij gesproken en/of geschreven taal. Juist vanuit educatief oogpunt. Juist vanuit opvoedkundig perspectief. Om over de ontwikkeling van de taal- en leesvaardigheid nog maar te zwijgen.

Dus beste makers, waarom leggen lezen en voorlezen het af?

De meest voor de hand liggende verklaring is een hardnekkig bijgeloof. Tijdens gesprekken met uitgevers en app-bouwers in Bologna werd me duidelijk dat de gedachte dat 'lezen' en 'digitaal' niet samengaan nog altijd springlevend is. Onterecht, want wetenschappelijk onderzoek wijst eerder op het tegendeel. De toevoeging van multimedia en interactiviteit in digitale kinderboeken zorgt voor een rijkere leeservaring. Zo blijkt uit een recente meta-analyse dat animaties en bewegende beelden helpen bij het begrip. Ze verhelderen, beter dan statische prenten, de oorzaak-gevolg-keten in de gebeurtenissen. Dat biedt met name steun aan zwakke lezers. Voor spelelementen geldt: met mate, graag. Een overdaad aan aanklikbare toeters en bellen leidt kinderen af. Daarnaast is het zaak dat er een duidelijke relatie is met het verhaal. Bij een inhoudelijke match kan ook interactiviteit het leesbegrip vergroten.

Dus, zou je zeggen, er is tijd voor lezen, ook achter het scherm. Kate Wilson riep haar collega's dan ook op om op avontuur te gaan. Maak apps die het (voor)lezen vernieuwen, transformeren. Integreer digitale vertelmiddelen zodanig dat ze bijdragen aan de leeservaring. Ook voor socialiserende instanties had ze een boodschap: stimuleer makers in deze zoektocht. Bijvoorbeeld door een prijs te lanceren die wél uitgaat van de taal- en leesontwikkeling.

Wilson wordt in Nederland alvast op haar wenken bediend. In de digitale prijzen die Stichting Lezen en de CPNB in het leven hebben geroepen, ligt lezen aan de basis. De Kameleon is bedoeld voor digitale kinderboeken die de (voor)leeservaring verrijken met een luisterversie, levende prenten, een soundtrack en spelletjes. En het is tweewerf raak voor Wilson, want de eerste winnaar is Roodkapje, een sprookje in 3D van haar Nosy Crow. Een schoolvoorbeeld van een geslaagde boek-app. Niet alleen kunnen kinderen zelf lezen én voorgelezen worden, ook ondersteunen de animaties en minigames het verhaal. De cadeautjes voor grootmoeder die de lezer/speler onderweg wint, komen goed van pas om de boze wolf te verslaan. En herhaald lezen gaat niet vervelen, want er zijn meerdere wegen naar het huisje. Dat de dialogen braaf en betuttelend zijn, neem je op de koop toe.

De andere prijs, de Gekko, gaat naar een spin-off van een papieren boek, zeg maar een digitaal verlengstuk. Winnaar Het Muizenhuis is de vervolmaking van dit prestigieuze project van Karina Schaapman. Zij schiep haar met minutieus oog voor detail uitgevoerde muizenwereld eerst in een poppenhuis, toen in een koffietafelboek en tot slot in een app. Een staaltje transmediaal vertellen: een verhaal spreiden over meerdere platformen, die elkaar over en weer versterken. De app kan weer aanzetten om het boek te lezen.

Zo bezien hebben ook My Very Hungry Caterpillar en Saga Fairy Tales leesbevorderende potentie. Bovendien waren boek-apps mét woorden ook niet geheel afwezig in de selectie van de BolognaRagazzi Digital Award. Wat mij betreft was de hoofdprijs gegaan naar Loose Strands, een ontroerend verhaal over een jongen die zich afvraagt wat zich buiten de kapperszaak van zijn ouders bevindt. Naast de vormgeving - je bladert via een haarstring - overtuigt de hypertekststructuur. Je kiest op gezette momenten zelf het vervolg. Je raakt de draad niet kwijt, omdat Markian Moyes aanvoelt dat de meester schuilt in de beperking. Er zijn steeds maar twee keuzes, en tussendoor kun je lang genoeg doorlezen om in het verhaal te blijven. Hulde voor dit gedurfde experiment op het snijvlak van literatuur en game.

Andere sterke kandidaten waren Lars and Friends en Good Night, dadas!. Potentie kan de app-prijs van Bologna dus niet ontzegd worden. De boekenbeurs hoeft eigenlijk alleen maar haar algemene voorwaarden aan te passen. Dan krijgen Buckleitners woorden pas echt kracht: de prijs bekroont het talent dat digitaal voorlezen verheft tot pure magie.

vrijdag 28 november 2014

Literatuur? Zo slecht gaat het nu ook weer niet

Sinds vorige week weet ik dat de zorg over ontlezing niet alleen leeft onder blanke mannen van boven de vijftig. Dit keer was het een frisse dertiger die de discussie aanzwengelde, met een klaagzang in NRC Handelsblad. Een schrijver nog wel. Een aanstormend talent zelfs, met een prijs voor het hippe Young Adult-genre op zak.

Kortom, iemand van wie je branie en wilde toekomstplannen verwacht. Zo niet Philip Huff. Die vindt dat de literatuur in de kreukelzone zit. De schuld ligt niet bij schrijvers en uitgevers, die mooiere boeken moeten maken. Nee, de overheid krijgt het op haar dak: die bezuinigt op bibliotheken en verwaarloost het literatuuronderwijs. Nog negatiever is Huff over de digitale ontwikkelingen. Online lezen is geen volwaardig lezen, maar surfen, scannen en switchen. In plaats van "cognitieve empathie", in zijn ogen de literaire kernwaarde, kweekt dat oppervlakkige distantie.

Gooi de feiten op tafel, aldus Huff, en je ziet hoe beroerd het de literatuur vergaat.

Maar geef dan wel het goede voorbeeld. De feiten die Huff noemt, zijn namelijk het resultaat van selectief shoppen. Hij schrijft dat de "ontlezing in Nederland het hardst gaat van heel West-Europa", met een beroep op de stevig dalende boekenafzet. Daarbij vergeet hij gemakshalve dat de verkopen tot 2008 ook veel steviger groeiden, en per hoofd van de bevolking nog altijd op een hoog niveau liggen. Zo kocht de Nederlander in 2013 precies evenveel boeken als de Vlaming.

Huff laat het bovendien na om tijdsbestedingonderzoek te noemen. Daarin gooit Nederland al jaren hoge ogen. Onze bevolking telt niet alleen meer boekenlezers, maar brengt ook meer tijd door met een boek dan de meeste Europeanen. Ook in leesvaardigheid behoort Nederland tot de toplanden.

We zijn dus geen kampioen in de ontlezing, maar eerder in belezenheid.

Ook bij de instanties die het lezen bevorderen, gaat Huff zwaar in de overdrijving. Het klopt dat bibliotheken sluiten, te wijten aan gemeentelijke bezuinigingen op cultuur. Alleen is het aantal vestigingen de afgelopen jaren niet met driehonderd maar met honderd verminderd. Het aantal jeugdleden zit sinds 2005 weer in de lift, dankzij een sterkere inzet op deze doelgroep, en in het programma de Bibliotheek op school wordt gewerkt aan een goed gebudgetteerde, gedegen schoolbibliotheek.

Natuurlijk: er kan altijd meer gebeuren. Maar het is niet zo dat de generatie die opgroeit tussen de schermen, verstoken blijft van literatuur. Laat staan dat hyperlink en voetnoot elkaar in hun ogen uitsluiten. Voor Huff doen ze dat duidelijk wel. Hij noemt een "goed geschreven roman een narratief dat dieplezen afdwingt én faciliteert", omdat deze "zonder hyperlinks, plaatjes, filmpjes of geluidjes een lang en volledig verblijf in andere wereld biedt." Wie er zo'n visie op nahoudt, ontzegt de literatuur zich een plaats te veroveren in een digitaliserende wereld. Huff zegt: blijf veilig in je hokje, we koesteren je als porcelein. Schrijvers, doe vooral geen poging jezelf opnieuw uit te vinden!

In de Griekse oudheid hield Socrates er een soortgelijk idee op na. Voor hem was het door Huff geliefde schrift de gebeten hond. De wijsgeer vreesde dat de kunst van het schrijven de mens maar vergeetachtig zou maken. Want als we verhalen niet meer zelf hoeven onthouden, hoe trainen we dan nog ons geheugen?

Achteraf weten we hoezeer Socrates ernaast zat. Het schrift bereidde de weg voor de hedendaagse roman, die uitblinkt dankzij complexe plotstructuren, meerdimensionale personages en ambigue vertellingen. Zonder de mogelijkheid voor schrijvers om zichzelf terug te lezen en te editen, had het genre onmogelijk kunnen ontstaan.

Dus rijst de vraag: waarom zou de digitalisering geen positieve gevolgen kunnen hebben voor de literatuur?

De tekenen zijn zichtbaar. Er zijn zelfs feiten die erop wijzen.

Allereerst gebeurt het steeds vaker dat schrijvers samenwerken met web- en appproducenten, animatiefilmers en geluidsartiesten. In de interactie tussen hun disciplines ontstaan nieuwe vormen, die vaak even innemend zijn als boeken van papier. Zo schreef Huffs generatiegenoot Sidney Vollmer met Alles ruikt naar chocola een roman-app met hyperlinks naar bronnen op internet. Wat afleidend kan werken tijdens het online lezen, is hier functioneel: de links hebben een relatie met het verhaal.

Ook verrijkte boek-apps voor jonge kinderen gieten het diep(voor)lezen in een nieuw jasje. Dat blijkt zelfs uit wetenschappelijk onderzoek. Kinderen raken niet alleen geprikkeld om te lezen, ze boeken ook vooruitgang in hun taalvaardigheid. En dat is niet ondanks, maar dankzij de geanimeerde prenten, filmpjes en spelletjes die Huff zo verfoeit.

Maar ook in e-boeken zonder extra's kan de lezer volledig in het verhaal verdwijnen. Er is een groeiende stapel onderzoek waaruit blijkt dat de e-reader voor het dieplezen gelijkwaardig is aan het gedrukte boek. Uitstapjes maken buiten de tekst is beperkt mogelijk, het e-Inkscherm voorkomt prikkende ogen en hoofdpijn, en het lichtgewicht maakt de leeshouding uiterst flexibel: nooit meer van zij naar zij draaien met een vuistdikke pil!

Toegegeven, sommige onderzoeken onderstrepen de meerwaarde van papier. Zo helpen pagina's met inkt ons om informatie beter te onthouden. Dat komt omdat we in één oogopslag zien hoe dik het boek is, en de tekst stabiel is ten opzichte van de pagina: op pagina 127 staat altijd hetzelfde. Dat geeft een gevoel van oriëntatie, een kapstokje voor het geheugen. Maar hoewel nog niet gelijkwaardig, introduceren e-boeken hun eigen technieken om de lezer houvast te geven. Denk aan voortgangsbalken, die een idee geven van de hoeveelheid nog te lezen tekst, kortere alinea's en een groter gebruik van tussenkopjes.

De vertrouwde elementen van papier krijgen dus een nieuw jasje. Dat is even wennen, maar dat lijkt me een te nemen horde. Daar komt bij dat digitale media features creëren die op papier niet kunnen. Letters en lettertypes laten zich bijvoorbeeld naar eigen wens en inzicht aanpassen. Dat blijkt een enorme steun voor slechtziende lezers, die hierdoor sneller kunnen lezen - en informatie juist beter verwerken.

Al met al bieden beide tekstdragers unieke voordelen. Dat maakt de nabije toekomst ook zo spannend. Want terwijl de vorm van het gedrukte boek is uitgekristalliseerd, staan de digitale tekstconventies nog volop in bloei. Ontwerpers zitten niet stil, en er staan ons de komende jaren nog talloze verrassende uitvindingen te wachten. Net zolang tot ook deze vorm is uitgekristalliseerd en transparant wordt.

Want zeg nu zelf: wie maakte zich voor de digitalisering druk over de vraag of het gedrukte boek het dieplezen faciliteert? Precies, helemaal niemand. De vorm was een gegeven, liever richtten we ons op de inhoud. Het zijn immers niet de paperassen, samengebonden door een kaft, die ons 'cognitief empathisch' maken, maar de woorden van de schrijver.

zaterdag 8 november 2014

De spagaat van de leesbevorderaar

Het zal u niet verrassen: ook leesbevorderaars grijpen tegenwoordig sneller naar hun tablet dan naar een boek om informatie te zoeken. Tenzij de server platligt, zoals ons bij Stichting Lezen deze week overkwam. Het bleek een geluk bij een ongeluk, want nu kon ik eindelijk weer eens het archief induiken. Bij toeval stuitte ik op een tien jaar oud rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau, waarin gepoogd wordt om een zeer actuele vraag te beantwoorden. Beconcurreren media elkaar in hun gevecht om onze schaarse vrije tijd? Of zijn ze complementair, en schakelen we in één vloeiende lijn van een roman naar Twitter en weer terug?

Dat we gestaag minder zijn gaan lezen, lijdt geen twijfel. Sinds het eerste SCP-tijdsbestedingonderzoek, in 1975, is de leestijd vrijwel continu gekrompen. Een ontwikkeling die zo goed als samenvalt met onze omarming van de televisie en later het internet. Dat kan haast geen toeval zijn, roepen cultuurcritici dan. Deze media zijn de boosdoener van de benarde positie van het boek! Stel dat zij gelijk hebben, zo redeneren de onderzoekers, dan zouden media elkaar fundamenteel moeten uitsluiten. Een enthousiaste boekenlezer kan met andere woorden onmogelijk een fervente internetter zijn - en vice versa.

Het rapport leert dat de werkelijkheid er beduidend complexer uitziet. Naast enorme junks, die intensief Facebooken, voor alles een app om advies vragen, de tijd vinden om Koefnoen te kijken en dan ook nog de nieuwe Grunberg verslinden, heb je zogenaamde 'low users', die gematigd zijn met alle media. Maar zelfs bij de groepen die wel een uitgesproken voorkeur hebben, is er geen sprake van wezenlijke concurrentie. Zij zijn vaak gewoontedieren, die de media gebruiken die ze een leven lang gebruiken. Wie is groot geworden met een boek op de schommelstoel en een radiokast kwetterend op de achtergrond, houdt daaraan vast. Jong geleerd is oud gedaan, zo blijkt weer eens.

De conclusie luidt dan ook dat niet zozeer de media, als wel de generaties elkaar vervangen. Of dat de cultuurcritici geruststelt? Ik vrees het niet. Generaties versterven, en de toekomst van het lezen van papier wordt er dus niet minder somber op. Ondanks dat Stichting Lezen, samen met bibliotheek, boekhandel, onderwijs en kinderopvang, probeert om jongeren te voorzien van een fysieke leesomgeving, heeft de "leesbevordering niet kunnen voorkomen dat de ontlezing onverminderd doorzet." Hoogstens was "de teruggang mogelijk nog harder gegaan zonder bibliotheken en leesbevordering."

Toen ik dat las, moest ik wel even slikken. Is ons werk dan niet meer dan vechten tegen de bierkaai? Om vervolgens te verzuchten dat het er inderdaad alle schijn van heeft. Op borrels en bijeenkomsten krijg ik regelmatig de vraag wanneer wij dat schip eens gaan keren. Ik begin dan met een utopisch verhaal, over Babelse bibliotheken, literaire eruditie en lezen als pad naar wijsheid, moraal en spirituele verheffing. De realiteit dient zich stukken rauwer aan op het bord. Het is ons culturele ideaal versus het grootkapitaal. Tegenover onze 4,65 miljoen euro per jaar (het budget van Stichting Lezen en Kunst van Lezen opgeteld), staan de met miljarden gevulde oorlogskassen van de Apples en Googles van deze wereld.

Het is een positie die noopt tot bescheidenheid - en tot pragmatisch handelen. Dat is leesbevordering anno nu: vernuftig inspelen op de fundamentele veranderingen in boekenbranche en bibliotheekwereld. Zo wordt in het programma De Bibliotheek op school gewerkt aan een gedegen bibliotheek voor elke basisschool en middelbare school in Nederland. Bij bezuinigingen wordt daar vaak het eerst op beknibbeld. Absurd, want de nabijheid van boeken is cruciaal om kinderen aan het lezen te krijgen (en houden), en zo hun leesvaardigheid te vergroten. Bovendien: als de aanstormende generaties ergens in aanraking komen met papieren boeken, dan is wel op school.

Meedoen met De Bibliotheek op school vergt een forse investering - van de school en vaak ook van de gemeente. Er moet worden voorzien in een actuele, gevarieerde collectie (voor elke leerling wat wils), een aantrekkelijke presentatie (frontale covers in verrijdbare kasten), een kundige bibliothecaris (enthousiast, belezen én bijdetijds) en een pakket aan bewezen leesbevordering. Dat houdt in: regelmatig een kwartier vrij lezen, met de docent als het goede voorbeeld; boekgesprekken à la Chambers, met een open, spontaan en informeel karakter; en een eigen leesplan, met leerlingdoelstellingen op het gebied van leesplezier en leesvaardigheid.

Maar wat wil nu het geval? Sommige wethouders grijpen deelname aan als excuus om de openbare bibliotheek dan maar te sluiten. Een investering in de jeugd zet de volwassen bezoeker in zijn hemd. Dat is natuurlijk niet ons streven. Het is een onbedoeld en zeer onwelkom neveneffect, ingegeven door maatschappelijke ontwikkelingen op breder vlak (lees: overheidsbezuinigingen). Zie hier de spagaat van de leesbevorderaar: gevangen tussen ideaal en werkelijkheid. Of, zo u wilt, tussen bladspiegel en scherm, tussen voetnoot en hyperlink. Behalve als de server het een dagje begeeft, en we en masse terug worden geroepen naar ons vertrouwde (en geliefde) papieren boek.

maandag 15 september 2014

Met Chambers 'roddelen' over boeken

Hij viel maar een paar keer uit zijn rol, tijdens zijn workshop in de theaterzaal van de OBA. Aidan Chambers, de guru van het boekengesprek, zette - geheel per ongeluk - zichzelf in de schijnwerpers. Met een mening ("Dat klinkt wat abstract")of een eigen interpretatie ("Zou je niet zeggen dat...") drukte hij zijn persoonlijke stempel.

De 200 bibliothecarissen met wie Chambers kletste over het prentenboek De duif die niet kon duiken hebben zich er vast niet aan gestoord. Toch ging Chambers stiekem in tegen zijn ideologie, waarin de conversatie leiden iets anders is dan de regie voeren. Chambers ziet voor Herr Direktor een ondersteunende rol. Hij creeërt een situatie waarin de deelnemers, als batterijen, élkaar impulsen geven. "De gespreksleider gebruikt woorden", zei Chambers in zijn introductie. "Niet om zijn mening op te leggen, maar om ons nieuwe woorden te geven voor het boek."

Het blijkt niet zijn enige verfrissende invalshoek. Zo vindt Chambers het cruciaal dat ten minste één lezer het boek intens haat. Dat maakt de discussie met de liefhebbers sappiger, steviger en levendiger. Nog verrassender is zijn taak voor de ongehoorzame leerling. Wie verzuimt en het boek ongelezen laat, is de 'doorvrager', die andere lezers tot opklaringen uitdaagt.

Het is, zo vermoed ik, zijn open mindset, samen met een vleugje democratie, die Chambers' succes verklaart. Zijn boeken Vertel eens en De leesomgeving vinden gretig aftrek onder leesbevorderend Nederland. Ook de bibliothecarissen in de zaal lagen aan zijn lippen. Begrijpelijk. Chambers is, met zijn lichte stiff upper lip en rustige voorkomen, een begenadigd spreker. Dat hij inmiddels hoogbejaard is, maakt hem niet minder innemend.

Tegelijkertijd is Chambers' succes best wel bizar. Hij doet het tegenovergestelde van wat veel (lees)opvoeders gewend zijn. Zij sturen hun pupillen vanuit hun kennis over het boek. Chambers heeft het lef het boekengesprek zich spontaan te laten ontspinnen.

Die aanpak heeft één keerzijde: het duurt een tijdje voordat we de diepte ingaan. Er is geen frame, een kapstokje mist. Een link met de historische werkelijkheid ontbreekt, evenals literaire stromingen (romantiek, postmodernisme) en begrippen (vertelperspectief, motieven, psychologie van de personages).

Maar wie geduld heeft, zo blijkt in de OBA, wordt beloond. De verdieping sluipt, en hoe kan het ook anders, spontaan in het spel. Een lezer vraagt zich af of de naam van de hoofdpersoon, Telemark, soms is afgeleid van de gelijknamige ski. Wat ze gemeen hebben? Ze representeren een afwijkende, maar uiterst succesvolle techniek. Het duifje introduceert bij zijn vliegexamen de vrije val, en wordt de nummer 1 broodkruimel-verzamelaar van de school.

De boodschap, zo concluderen we met zijn allen, luidt dat het goed is zoals je bent. Do it your own way. Het is dus geen toeval, dat Chambers voor dit prentenboek koos. Zoals elke duif zijn eigen duikvlucht kiest, kletsen wij op onze eigen manier over boeken. Misschien ligt daar wel de kern van Chambers' missie. Dat literatuur niets is om elitair over te doen. Iedereen kan praten over boeken. En alle meningen en interpretaties zijn even relevant.